018424490819624498722:jigxv8-slpy
HET LEVEN VAN EEN KOLONIST. Wie door het gemeentebestuur van zijn woonplaats was uitgekozen om als kolonist naar Veenhuizen te gaan, moest zich in Amsterdam melden. Van daaruit vertrok twee keer per week een beurtschip naar Blokzijl, aan de overkant van de Zuiderzee. Met dit schip konden de kolonisten meevaren. In de haven van Blokzijl stapten zij over op een platbodem die hen naar Steenwijk bracht. Daar stonden ossenwagens klaar voor de laatste etappe, door het ruige, lege Drentse land naar Norg. Bij aankomst kregen de kolonisten een kledingpakket met onder meer een blauw uniform, hemden, borstrokken, klompen en schoenen. Daarna konden ze hun intrek nemen in hun nieuwe huis. De kolonisten die gewend waren aan een leven in armoede in kleine, bedompte optrekjes zullen niet geweten hebben wat hen overkwam bij het binnengaan van hun nieuwe huis. De woning van 4,5 bij 4,5 meter bestond uit een woonkamer en twee slaapkamers met bedsteden en was volledig ingericht. In de schuur stond gereedschap klaar, waarmee de mannen direct aan de slag konden. Want er moest hard gewerkt worden. In de zomermaanden luidde er om vijf uur een bel op het terrein ten teken dat de kolonisten op moesten staan. Een uur later verzamelden zij zich en trokken het veld in. ’s Winters mochten ze een uur langer slapen. Voor hun werk ontvingen ze stukloon, een vast bedrag voor bijvoorbeeld het omspitten van een roede grond, het maken van takkenbossen of later het aantal gestoken turven. Hierdoor ontstonden er inkomensverschillen tussen de kolonisten. Naast de gemeenschappelijke arbeid, bebouwde de kolonist het perceeltje grond achter zijn huis. De vrouwen leerden spinnen in een spinnerij op het terrein. Als ze deze vaardigheid onder de knie hadden, kregen ze een spinnewiel waarmee ze met hun kinderen thuis wol konden spinnen. Op zaterdag leverden ze hun weekproductie in bij een opzichter en ontvingen daarvoor wat geld. Met zijn werk verdiende een kolonist maximaal drie gulden per week. Van elke gulden kreeg hij 28 cent in handen, 14 cent was bestemd als ‘oververdienste’ (kosten die gemaakt waren voor huisvesting en kleding) en de rest ging naar de collectieve voorzieningen. Na een verblijf van minimaal één jaar kon een hardwerkende kolonist zoveel aan oververdienste opgespaard hebben dat zijn schulden bij de Maatschappij van Weldadigheid afgelost waren, en mocht hij gaan. Dit had een opvoedkundige bedoeling want de kolonisten konden zo de deugden ijver en spaarzaamheid ontwikkelen. De meesten slaagden er echter niet in om de voor hen gemaakte kosten zo snel terug te verdienen. Na een driejarige heropvoeding in Veenhuizen, kon een verpleegde in aanmerking komen voor ontslag. Met een klein bedrag aan geld trok hij weg, in de hoop een nieuw bestaan op te bouwen buiten de kolonie. Vaak was dat geen succes, omdat niemand de ex-verpleegden begeleidde en het verblijf in Veenhuizen niet bepaald een aanbeveling was voor het vinden van werk. Het gebeurde dan ook regelmatig dat een verpleegde als zijn geld op was, verviel tot bedelarij, opgepakt werd en opnieuw gevangen gezet. Veenhuizen was evenals de Ommerschans een mislukking geworden. Het ideaal van de stichter, Johannes Van de Bosch, om zwervers en armlastigen op te voeden tot burgers die zelf in hun levensonderhoud konden voorzien, was te hoog gegrepen. Na overname door de regering werd Veenhuizen een Rijkswerkinrichting en kwam het onder beheer van het Ministerie van Justitie. De Bedelaarskolonie: In 1820 bleek er naast de vrije kolonie ook behoefte te bestaan aan koloniën die bestemd konden worden voor het opnemen van personen van 'minder zedelijk en goed gedrag'. Daarmee bedoelde men bedelaars en vagebonden in het hele land, maar ook gezinnen die niet bedelden, maar ook niet meer waren op te leiden tot een zelfstandig bestaan. Voor deze categorie behoeftigen was immers geen plaats in de vrije koloniën. Voor het onderbrengen van deze mensen en van vondelingen en weeskinderen, sloot de Nederlandse regering een contract met de Maatschappij van Weldadigheid. Met het oog hierop bouwde de Maatschappij in 1820 in het verlaten fort de Ommerschans een van de grootste gebouwen van het toenmalige Nederland. Het gebouw van zeker 100 bij 100 meter telde twee verdiepingen met een binnenplaats met om het gebouw een smalle gracht en een wal. Delen van de schans werden geslecht en geëgaliseerd zodat er meer ruimte voor gebouwen was. In de Ommerschans werden eerst de kolonisten ondergebracht die zich schuldig maakten aan 'zedeloosheid', luiheid of brutaliteit, en vervolgens - na een landelijk bedelverbod - grote groepen bedelaars uit alle provincies. Vanaf 1820 tot 1823 liep het niet zo hard met de vestiging van bedelaars in de onvrije kolonie. Totdat in 1823 een premie op het hoofd van iedere opgepakte "bedelaar" werd gezet. De kolonie vulde zich hierna snel totdat er zich op een bepaald moment ongeveer 2.000 bedelaars in de schans bevonden. De druk werd zo groot dat ook in Veenhuizen een gebouw tot bedelaarsgesticht werd ingericht. De mannen en vrouwen waren in de onvrije kolonie strikt gescheiden, zelfs wanneer men getrouwd was. Dat de scheiding toch weer niet al te strikt was, mag men afleiden uit het feit dat in de periode dat hier mannen en vrouwen samen verbleven er in totaal 550 kinderen werden geboren. De bedelaars op de Ommerschans moesten hard werken, onder andere op de in totaal 21 ontginningsboerderijen in de omgeving. De kolonisten die hier boerden hadden eerder in de vrije kolonie al bewezen dat ze een boerderij aankonden. Een gebied van 4 bij 2,5 kilometer werd zo door de bedelaars ontgonnen. In de wintermaanden werkte men in de werkplaatsen in de schans zelf. Wie niet werkte kreeg praktisch geen geld en moest maar zien hoe hij aan extra eten kwam. Naast het grote hoofdgebouw kende de Ommerschans daarbuiten ook andere gebouwen zoals een katholieke en een hervormde kerk, een school, gevangenis, ziekenhuisje en een eigen begraafplaats met lijkenhuisje. In 1859 werd de kolonie overgenomen door de regering wegens financiële problemen. In 1893 werd de kolonie opgeheven en verdwenen de laatste bewoners naar Veenhuizen. In 1870 waren de vrouwen en kinderen reeds overgeplaatst. Overzicht stichting en nummering vrije kolonies In volgorde van oprichting: Kolonie 1, Frederiksoord, de proefkolonie met 52 hoeves, gesticht najaar 1818 Kolonie 2, Frederiksoord-2, 50 hoeves aan de andere kant van de Vledderweg, gesticht eind 1819 en begin 1820 Kolonie 3, Willemsoord, 100 hoeves op het Steenwijkerwoldeheideveld, provincie Overijssel, gesticht voorjaar 1820 Kolonie 4, Wilhelminaoord, 100 hoeves ten noorden van Frederiksoord, gesticht voorjaar 1821 Kolonie 5, Ommerschans, de grote hoeves op de gronden rond de vesting werden kolonie 5 genoemd of Ommerschans-Buiten. In de vesting waren gevestigd de strafkolonie en het bedelaarsgesticht, samen vaak aangeduid als Ommerschans-Binnen. In 1859 werd dit alles overgenomen door de staat. Kolonie 6, Oost en West Vierde Parten, ongeveer 100 hoeves, waarvan enkele in de provincie Friesland, op de gronden van de Steggerder Compagnie, gesticht 1821-1822 Kolonie 7, Boschoord of Wateren of Doldersumsche veld, bestaande boerderijen en enkele nieuwe hoeves, gesticht 1822-1823 Hernummering kolonies 1823 - April 1823 worden kolonie 1 en kolonie 2 administratief tot Frederiksoord 1&2 samengevoegd, in de stukken vaak aangeduid als kol 1&2. Hernummering kolonies 1825 - Vanaf 1825 wordt Frederiksoord 1&2 en een deel van Wilhelminaoord omgedoopt tot kolonie 1, Frederiksoord. - De rest van Wilhelminaoord, Oost Vierde Parten en Boschoord worden dan samen kolonie 2, Wilhelminaoord. - Tegelijk komt West Vierde Parten bij Willemsoord wat verder als kolonie 3, Willemsoord door het leven zal gaan. Maatje Kaashoek is geboren op 14 december 1798 in St. Maartensdijk, dochter van Adriaen Kaashoek en Catharina Poot, kleindochter van Anthony Kaashoek en Kaatje Tichon, gedoopt op 16 december 1798 in St. Maartensdijk. Maatje is overleden op 2 september 1830 in Veenhuizen (Ommerschans), 31 jaar oud. Maatje trouwde, 24 jaar oud, op 16 juni 1823 in St. Maartensdijk, met Cornelis Beeke, 25 jaar oud. Cornelis is geboren op 26 mei 1798 in St. Maartensdijk, zoon van Willem Beeke en Josina Jacobse Vermaas, gedoopt in St. Maartensdijk. Cornelis is overleden op 22 januari 1831 in Veenhuizen (Ommerschans), 32 jaar oud. Kinderen van Maatje en Cornelis: 1.1. Katharina Beeke, geboren op 23 november 1823 in St. Maartensdijk, gedoopt op 14 december 1823 in St. Maartensdijk. Katharina is overleden op 6 november 1830 in Veenhuizen (Ommerschans), 6 jaar oud. 1.2. Josina Beeke, geboren in maart 1827 in Scherpenisse. Josina is overleden op 10 september 1828 in Scherpenisse, 1 jaar oud. 1.3. Adriana Beeke, geboren op 15 februari 1829 in Scherpenisse. Adriana is overleden op 25 juni 1830 in Veenhuizen (Ommerschans), 1 jaar oud. 1.4. Willem Beeke, geboren op 14 maart 1830 in Poortvliet. Willem is overleden op 6 augustus 1830 in Veenhuizen (Ommerschans), 4 maanden oud. Maatje, Cornelis en de kinderen Katharina, Adriana en Willem liggen begraven op de begraafplaats in Ommerschans. Izaak Page is geboren op 31 maart 1845 in St. Annaland, zoon van Izaak Page en Kaatje Gunst. Izaak is overleden op 22 april 1894 in Veenhuizen, 49 jaar oud. Izaak (1) trouwde, 20 jaar oud, op 29 september 1865 in St. Annaland met Jannetje van Dijke, 18 jaar oud. Jannetje is geboren op 9 oktober 1846 in St. Annaland, dochter van Jan Rochus van Dijke en Pieternella van der Slikke. Jannetje is overleden op 13 oktober 1872 in St. Annaland, 26 jaar oud. Izaak (2) hertrouwde, 28 jaar oud, op 26 november 1873 in Middelburg met Jansje Oberliese, 28 jaar oud. Jansje is geboren op 22 februari 1845 in Vlissingen, dochter van Johannes Oberliese en Pieternella van Stavanger. Jansje is overleden op 23 juni 1886 in Middelburg, 41 jaar oud. 17 mei 1892: opgepakt en in de gevangenis gezet in Den Bosch als landloperij , en kreeg 12 dagen hechtenis dagen later, op 2 juni 1892 is Izaak aangekomen in Veenhuizen, ter oprechting in het Eerste gesticht en is daar na 22 maanden overleden. Kenmerken uiterlijk: lengte:1,67; haar: bruin; wenkbrauwen: idem; voorhoofd: hoog; ogen: blauw; neus: stomp; mond: gewoon; kin: idem; baard: bruin; aangezicht: ovaal bijzonderheden: weduwnaar. Maria Moeliker is geboren op 28 november 1827 in Colijnsplaat, als een van een tweeling. Haar zuster is Marina, die na 13 dagen is overleden op 11 december in Colijnsplaat. Maria is op 28 januari 1848 in het derde gesticht van Veenhuizen overleden, 20 jaar oud. Maria is een dochter van Kornelis Moeliker, geboren op 20 juni 1802 in St. Annaland en is aldaar overleden op 20 januari 1857, 54 jaar oud, en van Cornelia Faasse (Fase), geboren op 5 oktober 1797 in St. Annaland en is overleden op 16 april 1832 in St. Annaland, 34 jaar oud. Jan van Agteren , sr. wordt aangeduid als ‘Jan sr. van Agteren’ kolonistenvader, herkomst: Hoogeveen. Religie: hervormd. Aankomst in Kolonie III, Willemsoord, Steggerda, nr. 156. Uit dit huwelijk zijn 6 kinderen geboren, nl. 1. Geesje van Achteren, geboren op 29 november 1809 in Hoogeveen. Geesje is overleden op 23 maart 1883 in Willemsoord, 73 jaar oud. 2. Gesina van Achteren, geboren op 26 november 1814 in Hoogeveen. Gesina is overleden op 2 december 1880 in Willemsoord, 66 jaar oud. 3. Hendrikus van Achteren, geboren op 29 februari 1820 in Hoogeveen, gedoopt op 1 maart 1820 in Hoogeveen. Hendrikus is overleden op 25 maart 1821 in Hoogeveen, 1 jaar oud. 4. Hendrika van Achteren is geboren op 31 januari 1822 in Hoogeveen. Hendrika is overleden op 12 augustus 1860 in Hoogeveen, 38 jaar oud. Hendrika trouwde, 23 jaar oud, op 29 juli 1845 in Steenwijkerwold met Cornelis Zuidgeest, 23 jaar oud. Cornelis is geboren in 1821 in Delft, zoon van Johannes Zuidgeest en Gijsje Goedhart. Cornelis is overleden. 5. Hendrikus van Achteren is geboren op 26 april 1823 in Hoogeveen. Hendrikus is overleden op 25 januari 1869 in Vledder, 45 jaar oud. Hendrikus trouwde, 31 jaar oud, op 30 juni 1854 in Vledder met Geertruida Kremer, 36 jaar oud. Geertruida is geboren in 1818 in Zuidbroek, dochter van Ede Kremer en Trijntje Huizinga. Geertruida is overleden. 6. Jan van Achteren is geboren op 2 juni 1824 in Westellingwerf (Ruinen). Jan is overleden op 24 november 1887 in Ruinen, 63 jaar oud. Jan trouwde, 33 jaar oud, op 20 juni 1857 in Ruinen. met Martien Hendriks Roelofs, 34 jaar oud. Martien is geboren op 21 februari 1823 in De Wijk (Ruinen), dochter van Hendrik Jans Roelofs en Femmigje Hendriks Diphoorn. Martien is overleden op 25 april 1906 in Ruinen, 83 jaar oud. De begraafplaats van Veenhuizen werd cynisch het Vierde gesticht genoemd. Het kerkhof ligt ver buiten het dorp en de gestichten. Een gedicht van Ruurd Faber: (uit: Veenhuizen, één, tweeie). Acht lotgenoten bewezen hem de laatste eer en lieten hem in de diepe zandkuil neer. De dominee bad het Onze Vader aan zijn graf de administratie voerde hem van de sterkte af. In een zwartgeverfde, vurenhouten kist Rust hij nu, die door niemand wordt gemist. Op het ‘vierde’ kwam er weer een bij ‘t werd nummer tien op de zesde rij.
https://kaashoekgenealogie https://kaashoekgenealogie.nl https://kaashoekgenealogie.nl - foto: © Wim https://kaashoekgenealogie.nl kaashoekgenealogie.nl